Photos

Photographer's Note

I took this picture while my boyfriend was filming this cute little groundsquirrel, that was just running around at Moraine Lake.
Here he poses so nice for us, en it's looks like he's just coming by to say Hi!

The Golden-mantled Ground Squirrel (Spermophilus lateralis) lives in all types of forests across North America. It eats seeds, nuts, berries, insects, and underground fungi. It is eaten by hawks, jays, weasels, foxes, bobcats, and coyotes. A typical creature ranges from 23–30 cm (9–12 in) in length. The Golden-mantled Ground Squirrel can be identified by its chipmunk-like stripes and coloration, but unlike chipmunks, it lacks any facial stripes. It is commonly found living in the same habitat as Uinta Chipmunks.

The Golden-mantled Ground Squirrel is similar to chipmunks in more than just its appearance. Although it is a traditional hibernator, building up its body fat so to survive the winter asleep, it is also known to store some food in its burrow, like the chipmunk, for consumption upon waking in the spring. Both the Golden-mantled Ground Squirrel and the chipmunk have cheek pouches for carrying food. Cheek pouches allow them to transport food back to their nests and still run at full speed on all fours. By comparison, when a more typical ground squirrel is threatened by a predator, it has to drop its food if it wants to make a quick getaway.

Golden-mantled Ground Squirrels dig shallow burrows up to 30m (100 ft) in length with the openings hidden in a hollow log or under tree roots or a boulder. The female gives birth to a single litter of 4–6 young each summer.

The Golden-mantled Ground Squirrel is abundant throughout its range and is equally at home in a wide variety of forest habitats as well as rocky meadows, and even sagebrush flats.

De mantelgrondeekhoorn heeft een grijze, bruine of gelige rug en een roomkleurige buik. De staart is zwartbruin. De kop en schouders zijn gelig koperrood van kleur, en vormen een "gouden" mantel. Over beide zijden loopt één witte streep, die aan de boven- en onderkant wordt begrensd door zwarte strepen. De mantelgrondeekhoorn is te onderscheiden van de chipmunks door de grootte (een mantelgrondeekhoorn wordt veel groter) en het ontbreken van strepen in het gezicht.
De mantelgrondeekhoorn wordt 23 tot 30,8 centimeter lang, waaronder een 6,3 tot 11,8 centimeter lange staart. Hij weegt 170 tot 276 gram.

De mantelgrondeekhoorn leeft in vochtige naald- en gemengde wouden. Ook wordt hij aangetroffen in struikgebieden, rotsachtige weilanden en in bergen tot boven de boomgrens.

De mantelgrondeekhoorn komt voor in het westen van Canada en de Verenigde Staten, tot ver in de Rocky Mountains. De noordelijke grens van zijn verspreidingsgebied loopt door het zuidoosten van British Columbia en het zuidwesten van Alberta, de zuidelijke grens door Californië, Nevada en Zuid-New Mexico en de oostelijke grens door Zuidoost-Wyoming, West-Colorado en West-New Mexico.

De mantelgrondeekhoorn voedt zich met pijnboompitten en andere zaden en noten en vruchten, aangevuld met groene plantendelen, insecten en ondergrondse paddenstoelen, die hij kan vinden dankzij zijn reuk. In de herfst vormen de zaden van naaldbomen eenderde van zijn dieet.

Als verblijfplaats dient een zelfgegraven ondiep ondergronds hol. Dit hol kan wel dertig meter lang zijn. Ingangen naar het hol liggen vlakbij of onder boomstronken, boomwortels of keien. Het nest wordt bekleed met droge grassen en ander droog plantaardig materiaal. De mantelgrondeekhoorn kent een grote verscheidenheid aan geluiden, maar is over het algemeen stil. Waar leefgebieden overlappen, komt de soort samen voor met de Uintachipmunk (Tamias umbrinus).

De mantelgrondeekhoorn houdt een winterslaap van oktober tot mei (het langst in noordelijke gebieden, het kortst in zuidelijke gebieden). Voor de winterslaap legt het dier een dikke vetlaag aan. Ook legt hij een voedselvoorraad in zijn eigen nest aan, waar hij van eet na het ontwaken in de herfst. Het voedsel wordt vervoerd in de wangzakken. Sommige dieren ontwaken van tijd tot tijd uit hun winterslaap. Deze dieren kunnen bovengronds worden aangetroffen, zoekende naar voedsel.

Om zijn vacht te verzorgen rolt de mantelgrondeekhoorn eerst door stof, om daarna het te kammen met zijn klauwen en tanden.
Een vrouwtje kent één worp per jaar, begin zomer. Na een draagtijd van 26 tot 33 dagen worden 4 tot 6 jongen geboren.

DuFrank, vorpal trouve(nt) cette note utile

Photo Information
Viewed: 1957
Points: 6
Discussions
Additional Photos by Nel Diepstraten (NellyD) Gold Star Critiquer/Gold Note Writer [C: 378 W: 0 N: 426] (1874)
View More Pictures
explore TREKEARTH